1. Ziekenhuisopname op de PAAZ

2026


Door de opname in de eetstoorniskliniek was ik alleen maar nog verder de gevarenzone in gezakt en was mijn gewicht lager dan ooit. Thuis was het me, wonder boven wonder, gelukt om weer iets op te krabbelen (want thuis at ik zelfs nog méér dan in de kliniek), maar mijn fysieke toestand bleef slecht. De mentale achteruitgang die ik te danken had aan de kliniek, was ook erger dan ooit en als je me gevraagd had of ik nog leefde of al dood was, had ik het niet eens geweten. 

Ik werd aangemeld voor opname op MPU'S en PAAZ-afdelingen in ziekenhuizen door het hele land, omdat deze afdelingen schaars zijn en de wachtlijsten vaak lang. Het zelf eten in de eetstoorniskliniek lukte niet, maar ze hadden daar geen mogelijkheden om verdere medische stappen te zetten. In een ziekenhuis kunnen ze medisch ingrijpen, op het moment dat dat nodig is.

Op 19 februari 2026 werd ik opgenomen op de PAAZ in het ziekenhuis, 1,5 uur rijden vanaf huis.  


Ik wilde niet naar het ziekenhuis

Ik weet nog het moment dat ik gebeld werd met het bericht dat ik binnen 3 dagen opgenomen zou worden. Ken je dat dramatische beeld uit films dat iemand huilend en schreeuwend met de telefoon aan zijn oor in elkaar zakt op de grond? Precies dat was ik. Gelukkig was de dame aan de telefoon heel lief en nam ze de tijd voor me. Ik mocht het even laten bezinken en later die dag terugbellen om akkoord te geven of niet. Al wist ik dat ik geen keuze had. Ik kon het alleen nog niet uitspreken.

Ik wilde niet, ik wilde geen opname in het ziekenhuis. Tot nu toe was ik niet aangekomen en dat wilde ik ook niet! Ook al hijgde iedereen in mijn nek en wist ik dat het moest. Als ik opgenomen werd in het ziekenhuis, stond het vast dat ik ging aankomen. Want als het niet zelf lukte, zouden ze er daar wel voor zorgen dat ik, op wat voor een manier dan ook, alsnog aankwam. Maar aankomen voelt als doodgaan en ik wil niet dood. De werkelijkheid is natuurlijk andersom. Maar mijn eetstoornisbrein liet het mij anders voelen. Ik moest dus naar het ziekenhuis om dood te gaan, voor mijn gevoel. Wat een mindfuck! 

"Aankomen voelt als doodgaan en ik wil niet dood."

Opname op de PAAZ (Psychiatrische Afdeling Algemeen Ziekenhuis)

Ik weet nog heel goed de eerste keer dat ik de afdeling opkwam. Er liepen  een paar patiënten door de gang, waarvan het leek alsof ze ontsnapt waren uit een gekkenhuis. Ik weet dat het toeval was en dit bewijst ook maar weer hoe snel je een oordeel klaar hebt. Want het eerste wat ik dacht was: wat zijn dit voor een psychisch gestoorde mensen? In wat voor rare inrichting ben ik nu weer belandt ? Het was een psychiatrische afdeling, waar heel veel verschillende mensen opgenomen werden met hele verschillende klachten. Van eetstoornissen tot heftige depressies en van schizofrenie tot bipolaire stoornissen, extreme smetvrees of suïcidaliteit. 

De PAAZ is voor patiënten waarvan de slechte of kritieke lichamelijke toestand een gevolg is van hun psychische problemen. Zoals bij mij dus ook was.

Maar het tegendeel van mijn vooroordeel werd als snel bewezen. Later kwam ik er namelijk achter dat die mensen die ik zag lopen echt schatjes waren, en vanaf mijn eerste dag op de afdeling riep ik al dat iedereen zó ontzettend lief en zorgzaam was en dat er zo'n enorm fijne sfeer hing. De verpleging zorgde ervoor dat ik me meteen thuis voelde, veilig en vertrouwd. Ik kon met álles bij ze terecht en iedereen was heel erg toegankelijk. Ik had een eigen kamer met badkamer en er was een grote gemeenschappelijke woonkamer en keuken waar iedereen gebruik van mocht maken. Zowel patiënten en bezoek.

De eerste 3 nachten waren een hell

Thuis sliep ik al maanden op een luchtbed, die ik bovenop mijn normale bed had gelegd. Liggen deed anders te veel pijn en een luchtbed was nog het meest comfortabel. Het matras in het ziekenhuisbed was een speciaal decubitusmatras. (Dit is tegen doorlig plekken.) Maar ik heb de eerste nacht precies 1 uur geslapen. Ik kon op geen enkele manier liggen zonder pijn in mijn lichaam. (Stel je voor, als je geen vetlaagje op je lichaam hebt, lig en zit je dus puur op je botten...) Voor de tweede nacht werd er dus een extra zacht decubitusmatras voor mij besteld.  Alle verpleging wist er inmiddels van en iedereen vroeg hoe het nieuwe bed had geslapen. Ik vond het beschamend... "Nou, uuhh niet", zei ik. Er werd meteen gekeken wat er nog meer voor opties waren. Ik kreeg wéér een nieuw bed, met pomp, zodat de luchtdruk nog extra aangepast kon worden. Maar ook dit was voor mij nog veels te hard. (Stel je voor: slapen op een houten plank...) Ik had dus inmiddels al 3 nachten niet geslapen. Ik vroeg of ik mijn luchtbed hierheen mocht laten komen door mijn ouders en gelukkig werd dat goedgekeurd. Toen ik de eerste ochtend hierop wakker werd en de verpleging vroeg het het was gegaan, zei ik: "Heaven! Mijn eigen grote marshmallow." 

"De verpleging zorgde ervoor dat ik me meteen thuis voelde, veilig en vertrouwd."

De eetmomenten

Aan de omgeving waar ik was en de verpleging lag het niet. De verpleging was echt geweldig! Ze haalde alles uit de kast om mij te helpen. Hoe overstuur ik ook was, ze bleven bij me, als ik dat wilde. Hoe hard ik ook schreeuwde dat het hopeloos was, ze bleven me moed inspreken. Óók als er niets lukte. Na elke maaltijd werd er gevraagd of ik behoefte had om even te kletsen, en meerdere keren per dag werd er aan me gevraagd hoe het ging. Ik voelde me hier écht gezien en gehoord! Als mens. Niet als eetstoornis.

De verpleging vroeg of ik het juist fijn vond als er iemand van hen bij me zat tijdens het eten of dat dat juist averechts werkte. Ze wilde het voor mij zo fijn mogelijk maken, en niet meekijken op mijn bord of ik wel iets at. De nadruk werd hier juist niet op het eten gelegd. Zoals in de eetstoorniskliniek. Om de spanning rondom het eten hopelijk minder te maken. Ik vond het juist niet fijn als er iemand bij me zat. Ik ging op een gegeven moment zelfs alleen aan een andere tafel zitten i.p.v. aan de lange eettafel met alle andere patiënten en verpleging. Ik kon het anders helemaal niet meer handelen. Ik moest zó hard mijn best doen om mijn focus op het eten te houden en alle prikkels om mij heen kon ik niet hebben.

Het maakte voor de verpleging niet uit hoe of wat ik at, als ik maar aankwam. Ook wanneer hetgeen wat er aangeboden werd voor ontbijt, lunch en avondeten, niet lukte, mocht ik eigen producten eten. In tegenstelling tot in de eetstoorniskliniek, waar ik niets anders kreeg dan wat er op mijn eetlijst stond. Daar lieten ze me letterlijk verhongeren, hier dachten ze met me mee!

De aanpak was hier heel anders, veel menselijker. Ze wilde alles doen zodat het mij lukte om te eten. Alle toeters en bellen werden uit de kast gehaald en als ik had gevraagd of ze op hun kop wilde gaan staan, hadden ze het zeker gedaan. Maar ik wist het zelf ook niet meer en inmiddels was mijn trukendoos leeg. Ik voelde me moedeloos, hopeloos en ik voelde me zelfs schuldig tegenover iedereen. Iedereen deed zó zijn best... 

Ik ga niet liegen over dat mijn stemming er niet onder leed, want dat deed het zeker. Maar mijn positieve karakter en het iedere dag horen van: "Daar is ons zonnetje in huis!",(terwijl ik regelmatig erbij liep met een kop als een baksteen) zorgde ervoor dat ik optimistisch bleef. De zelfspot en de eetstoornisgrapjes van de verpleging, daar draaide ik op.

De verpleging hield de humor erin (achteraf dan), en dat kon ik op de meeste momenten wel waarderen. Ik zei tijdens de zoveelste poging om mijn bord leeg te eten: "Ik probeer positief te blijven. Mijn glas is altijd halfvol!". "Ja, en je bord ook", kreeg ik als reactie van een van de leukste verplegers. 

"Hoe hard ik ook schreeuwde dat het hopeloos was, ze bleven me moed inspreken."

De maaltijden

Naast de woonkamer was de gezamenlijke eetkamer. Er stonden 2 kleinere tafels en een lange tafel waar zo'n 12 personen aan konden zitten. Voor ontbijt en lunch stond er een vol gedekte tafel, waar iedereen op zijn eigen tijd mocht gaan eten. Voor de avondmaaltijd was er een menu met elke dag 3 opties om uit te kiezen. De maaltijden kwamen vanuit de grote centrale keuken en werden tegen etenstijd in een grote kar op de afdeling gebracht. Dit was wel een gezamenlijk eetmoment voor alle patiënten en 3 of 4 verpleegkundigen.

Ik koos mijn eigen eten

I.p.v. een van de standaard maaltijden te kiezen, kon je ook zélf je maaltijd samenstellen. Je had dan een aantal opties om uit te kiezen. Verschillende soorten groente, een eiwitbron en aardappels of rijst. Merendeel van de tijd koos ik broccoli, omdat ik dat het lekkerste vind. Als eiwitbron was er keuze uit omelet, vega burger en kip of witvis. Mijn standaard keuze was de kip of vis, omdat dat voor mij de minste spanning opleverde. De eerste week hoefde ik nog geen zetmeelproduct en ook hoefde ik nog geen toetjes te bestellen.  

Meerdere keren per dag kon ik naar het dagmenu kijken, om vervolgens geen keuze te kunnen maken uit de drie maaltijden. Als er wel een maaltijd op het menu stond waarvan ik dacht dat ik die wel wilde proberen, ging ik aan iedereen die ik maar op de afdeling kon vinden vragen of zij die al eens hadden gehad, wat er allemaal in zat en of ze wisten hoe het gemaakt werd. Puur uit. Vaak durfde ik het op het laatste moment toch niet en ging ik toch weer voor een veilige keuze. Maar goed, ik had het wél weer geprobeerd. Ik was na de eerste paar dagen al dikke vriendinnen met de hospitality dame. Ik kwam soms wel 3 keer naar haar toe om tóch mijn keuze weer te veranderen. Ik kan me voorstellen dat ze gek van me werd, maar ze bleef altijd heel lief en wilde altijd met me meedenken.

Een paar keer durfde ik het aan om de maaltijdsalade van het dagmenu te bestellen. Maar ik moest wél weten hoe hij in elkaar zat. De eerste keer heeft de hospitality dame 3 keer voor mij naar de centrale keuken gebeld, om te vragen of de dressing er al doorheen zat of dat het apart kon, of de kip in een pan gebakken werd of uit de oven kwam. En ook de noten moesten worden weggelaten.

Ik vond het beschamend dat ik iedereen zo lastig viel met al m'n vragen, maar ik moest het gewoon weten. Vóór de middag moest iedereen zijn keuze hebben doorgegeven, maar ik was de héle dag onrustig als ik niet precies wist wat ik kreeg, hoe het eruit zag en hoeveel het zou zijn. 

"Ik was na de eerste paar dagen al dikke vriendinnen met de hospitality dame."

Evaluatiegesprek: het ging niet goed...

De eerste 2 weken in het ziekenhuis leek het alsof de opname in de eetkliniek zich herhaalde. Althans, op gebied van eten. Want de afdeling en de mensen waren top! Maar eten ging slecht en elke maaltijd was weer een enorme strijd. De vele tranen, paniek, angst en stress putte me helemaal uit. Na 2 weken hadden we het eerste evaluatiegesprek. Ik, mijn ouders, zus, 2 verpleegkundige, mijn arts en specialistisch arts en de psychiater. We hoefde er niet omheen te draaien dat het niet goed ging, want dit was ook duidelijk zichtbaar op de weegschaal en ook tijdens de eetmomenten zag iedereen hoe moeilijk ik het had. Het zou onzin zijn en ik zou mezelf alleen maar voor lul zetten als ik zou zeggen dat het wel goed ging, want aan alles was het zichtbaar dat dat niet zo was. Ik kon moeilijk mijn hele bord eten in mijn broekzak stoppen, om zo te laten lijken dat ik gegeten had. En alle andere eetgestoorde trucjes had ik jaren geleden al achter mij gelaten. Dus ik bespaarde mezelf die moeite om erover te liegen en ik speelde (zoals altijd) gewoon open kaart.  

Er werden 2 mogelijkheden besproken. De eerste optie was om naar huis te gaan. Wat iedereen gek vond. Ze kunnen je toch niet naar huis sturen als het juist slechter gaat? Maar het betekende dat de behandeling hier niet werkte voor mij. De tweede optie was dat ik bleef, en dat ik sondevoeding zou krijgen via een slangetje die via mijn neus in mijn maag kwam. Naar huis gaan was eigenlijk geen optie, want wat dan..? Alleen de keuze maken om een sonde te laten plaatsen was ook vreselijk. Want dat zou betekenen dat ik de controle volledig uit handen moest geven... Doodeng!  

Maanden geleden had ik al, voordat ik cognitief nog verder achteruit, duidelijk tegen mijn ouders gezegd, dat mócht het zover komen dat ik bijna doodga en ik niet meer wilsbekwaam ben, wat zou betekenen dat de ziekte té sterk is, zij er álles aan moeten doen om ervoor te zorgen dat ik NIET doodga. Hoe hard ik (de eetstoornis) ook zou tegenwerken. 

Mijn ouders en zus waren er duidelijk in dat ik niet mee naar huis ging. Dat zou al helemaal verkeerd gaan. Hier was iedereen die bij het gesprek was het mee eens. Er was dus weinig andere keuze. Maar ik kon het niet uitspreken. Ik kon de keuze niet maken. Ik geloofde niet dat ik dood zou kunnen gaan. De dood stond (en staat) zó ver bij me vandaan. Het is gewoon te ongeloofwaardig. Het voelde niet alsof het allemaal over mij ging, het leek wel een drama film waar ik naar keek. De angst en spanning zorgde ervoor dat alles om mij heen een grote waas werd. Mijn ouders maakte de beslissing dat er een sonde geplaatst ging worden. Ik stond op en rende compleet overstuur de ruimte uit. Ik denk dat mijn geschreeuw over de hele afdeling te horen was.  

Klik hieronder om verder te lezen:

Share